Regeling preventie, bestrijding en monitoring besmettelijke dierziekten en zoönosen, TSE’s gewijzigd

De Regeling preventie, bestrijding en monitoring besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s is gewijzigd.

Bekijk de publicatie bij de bron: Staatscourant

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 21 september 2019, nr. WJZ/ 19210723, tot wijziging van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE's

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op artikel 17 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling preventie, bestrijding en monitoring besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s wordt als volgt gewijzigd:

A

De artikelen 94t en 94u komen te luiden:

Artikel 94t

  • 1. Een houder van kippen of kalkoenen laat die dieren overeenkomstig dit artikel onderzoeken, waarbij een bloedmonster van:

    • a. kippen of kalkoenen wordt onderzocht op de aanwezigheid van antistoffen tegen Mycoplasma gallisepticum, en

    • b. kalkoenen als bedoeld het tweede lid, onderdeel b, en, voor zover de monsters afkomstig zijn van kalkoenen die worden gehouden als vermeerderingsdier, zesde lid, onderzoeken op de aanwezigheid van antistoffen tegen Mycoplasma meleagridis.

  • 2. Een houder van kippen of kalkoenen die worden gehouden als vermeerderingsdier of die daartoe worden opgefokt laat per stal bij 1% van het aantal dieren, maar bij ten minste 30 en ten hoogste 60 dieren ten minste 1 milliliter bloed afnemen:

    • a. in geval van kippen: op een leeftijd van 15 of 16 weken, 20 tot en met 22 weken, 30 weken, en vervolgens iedere 12 weken;

    • b. in geval van kalkoenen: op een leeftijd van 10 weken, 18 weken, 26 weken en vervolgens iedere 12 weken;

    • c. in de twee weken voorafgaand aan het vervoer naar een ander bedrijf waar kippen of kalkoenen gehouden worden, behalve bij eendagskuikens.

  • 3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, gebeurt de monstername bij kippen die worden gehouden als grootouderdier of die daartoe worden opgefokt op een leeftijd van 15 of 16 weken, 20 weken en vervolgens iedere 8 weken.

  • 4. Een houder die kippen opfokt die bestemd zijn om te worden gehouden als legkip laat in de drie weken voorafgaand aan de verplaatsing van een koppel kippen naar een ander legkippenbedrijf per stal bij ten minste 24 van die dieren 1 milliliter bloed afnemen.

  • 5. Een houder van een koppel legkippen laat in de negen weken voorafgaand aan het moment waarop die dieren worden geslacht per stal bij ten minste tien van die dieren 1 milliliter bloed afnemen.

  • 6. Onverminderd het tweede lid, onderdelen b en c, laat een houder van kalkoenen in de drie weken voorafgaand aan het moment waarop de dieren worden geslacht bij ten minste 24 van die dieren 1 milliliter bloed afnemen.

Artikel 94u

  • 1. Een houder laat een monster als bedoeld in artikel 94t:

    • a. afnemen door een dierenarts of een dierenartsassistent paraveterinair, bij dieren die zich verspreid over de stal of de stallen bevinden, waaronder dieren die vanwege ziekte zijn afgezonderd, en

    • b. onderzoeken in een laboratorium als bedoeld in artikel 2 van de Regeling erkenning en aanwijzing veterinaire laboratoria, waar het monster uiterlijk op de werkdag na de dag dat het is afgenomen wordt aangeleverd.

  • 2. Bij aanlevering van een monster worden in ieder geval de volgende gegevens aangeleverd:

    • a. gegevens ter identificatie van de houder van de dieren, de dierenarts of een dierenartsassistent paraveterinair die het monster heeft genomen en de dieren waarbij het monster is genomen;

    • b. gegevens omtrent het monster;

    • c. de dagtekening;

    • d. de naam en handtekening van de inzender van het monster.

B

Na artikel 94u wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 94ua

  • 1. Een houder van kippen of kalkoenen laat die dieren overeenkomstig dit artikel onderzoeken, waarbij

    • a. een bloedmonster wordt onderzocht op de aanwezigheid van antistoffen tegen Mycoplasma synoviae, en

    • b. een tracheaswabmonster wordt onderzocht op de aanwezigheid van Mycoplasma synoviae.

  • 2. Een houder van kalkoenen die worden gehouden als vermeerderingsdier of die daartoe worden opgefokt laat per stal bij 1% van het aantal dieren, maar bij ten minste 30 en ten hoogste 60 dieren ten minste 1 milliliter bloed afnemen op een leeftijd van 10 weken, 18 weken, 26 weken, vervolgens iedere 12 weken en in de twee weken voorafgaand aan het vervoer naar een ander bedrijf waar kippen of kalkoenen gehouden worden, behalve bij eendagskuikens.

  • 3. Onverminderd het tweede lid laat een houder van kalkoenen in de drie weken voorafgaand aan het moment waarop de dieren worden geslacht bij ten minste 24 van die dieren 1 milliliter bloed afnemen.

  • 4. Een houder van kippen die worden opgefokt tot vermeerderingsdier ten behoeve van de productie van eieren laat per stal bij 1% van het aantal dieren, maar bij ten minste 30 en ten hoogste 60 dieren ten minste 1 milliliter bloed afnemen op een leeftijd van 15 of 16 weken en in de twee weken voorafgaand aan het vervoer naar een ander bedrijf waar kippen of kalkoenen gehouden worden, behalve bij eendagskuikens.

  • 5. Een houder van kippen die worden opgefokt om te worden gehouden als vermeerderingsdier ten behoeve van de productie van vlees laat per stal bij 24 van die dieren tracheaswabmonsters nemen in de week voorafgaand aan het moment waarop die dieren worden afgevoerd naar een ander bedrijf waar kippen of kalkoenen worden gehouden.

  • 6. Een houder van kippen die worden gehouden als vermeerderingsdier laat in de twaalf weken voorafgaand aan het moment waarop de dieren worden afgevoerd weken per stal bij tien van die dieren ten minste 1 milliliter bloed afnemen.

  • 7. In afwijking van het vierde, vijfde en zesde lid laat een houder van kippen die worden gehouden als grootouderdier of die daartoe worden opgefokt per stal bij 1% van het aantal dieren, maar bij ten minste 30 en hoogste 60 dieren 1 milliliter bloed afnemen op een leeftijd van 15 of 16 weken, 20 weken en vervolgens iedere 8 weken.

  • 8. Een houder die kippen opfokt die bestemd zijn om te worden gehouden als legkip laat in de drie weken voorafgaand aan de verplaatsing van een koppel kippen naar een ander legkippenbedrijf per stal bij 24 van die dieren 1 milliliter bloed afnemen.

  • 9. Een houder van kippen die worden gehouden als legkip laat in de negen weken voorafgaand aan het moment waarop die dieren worden geslacht per stal bij ten minste tien van die dieren 1 milliliter bloed afnemen.

  • 10. Indien kippen of kalkoenen tegen Mycoplasma synoviae zijn gevaccineerd of afkomstig zijn van een bedrijf waar tegen Mycoplasma synoviae is gevaccineerd, laat een houder per stal, in afwijking van:

    • a. het tweede, derde, vierde, vijfde, zevende en achtste lid, bij 24 kippen of kalkoenen tracheaswabmonsters nemen;

    • b. het zesde en negende lid, bij twaalf kippen tracheaswabmonsters nemen.

  • 11. Artikel 94u is van overeenkomstige toepassing.

  • 12. Indien een bloedmonster als bedoeld in dit artikel tegelijk wordt genomen met een bloedmonster als bedoeld in artikel 94t, kan een bloedmonster van 1 milliliter zowel voor het onderzoek, bedoeld in artikel 94t, eerste lid, als voor het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden gebruikt.

C

In artikel 94w wordt 'artikel 94t, tweede lid' vervangen door 'de artikelen 94t, eerste lid, en 94ua, eerste lid'.

ARTIKEL II

De Regeling preventie, bestrijding en monitoring besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 94ua vervalt.

B

In artikel 94w wordt 'de artikelen 94t, eerste lid, en 94ua, eerste lid' vervangen door 'artikel 94t, eerste lid'.

ARTIKEL III

  • 1. Artikel I treedt in werking met ingang van 1 oktober 2019.

  • 2. Artikel II treedt in werking met ingang van 1 januari 202

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 21 september 2019

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten

TOELICHTING

De Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s (hierna: de regeling) voorziet in monitoringsverplichtingen, onder andere, voor de ziekte Mycoplasma synoviae. Die verplichtingen zijn met deze regeling aangepast. Verder is geregeld dat het monitoringsprogramma voor Mycoplasma synoviae per 1 januari 2021 eindigt. De wijzigingen worden hieronder toegelicht.

Het monitoringsprogramma voor Mycoplasma synoviae is voor twee categorieën pluimveebedrijven gewijzigd: bedrijven die hennen opfokken voor vermeerderingsbedrijven, waar broedeieren voor vleeskuikens worden geproduceerd (opfokbedrijven vermeerdering vleeskuikens) en vermeerderingsbedrijven waar broedeieren voor de leg- en vleeskuikenhouderij worden geproduceerd (vermeerderingsbedrijven).

Het monitoringsprogramma toont aan dat besmettingen met Mycoplasma synoviae met name optreden op bedrijven waar hennen worden opgefokt voor vermeerderingsbedrijven in de vleesketen. Voor de afnemers van deze bedrijven is het belangrijk om te weten of de dieren al dan niet besmet zijn met Mycoplasma synoviae. Een PCR-onderzoek van tracheaswabmonsters kort voor de afvoer van de dieren geeft hier de meest betrouwbare informatie over. Daarom vervalt voor deze groep bedrijven de mogelijkheid van het serologische onderzoek.

Verder is de termijn waarin het onderzoek moet plaatsvinden verkort, van ten hoogste twee weken voorafgaand aan de afvoer van de hennen in ten hoogste één week. Voor vermeerderingsbedrijven geldt nu een monitoringscyclus van 12 weken. Voor deze bedrijven is het met name belangrijk te weten of er tijdens de productiefase een besmetting heeft plaatsgevonden en of eventuele maatregelen om Mycoplasma synoviae buiten de deur te houden hebben gewerkt of niet. Dit kan aan het slot van de productiefase worden geconstateerd. Deze monitoringscyclus is daarom vervangen door een eindcontrole van het koppel. De monsteraantallen kunnen daarmee ook worden beperkt; in een besmet koppel zullen aan het einde van de productie de meeste hennen besmet zijn. Een relatief kleine steekproef zal daarom voldoen om een besmetting aan te tonen.

Hoewel er dus maar twee wijzigingen zijn aangebracht in het monitoringsprogramma voor Mycoplasma synoviae, zijn de artikelen 94t en 94u opnieuw vastgesteld en is er een nieuw artikel 94ua ingevoegd. Dat komt omdat dit monitoringsprogramma sterk was vervlochten met die voor Mycoplasma gallisepticum en meleagridis. Om de artikelen begrijpelijk te houden, zijn de momenten waarop monsters moeten worden genomen voor Mycoplasma synoviae apart beschreven. Dat betekent niet dat het nodig is om twee verschillende bloedmonsters te nemen voor Mycoplasma-onderzoek; genomen monsters kunnen voor beide onderzoeken worden gebruikt. Daarin voorziet artikel 94ua, elfde lid.

Ten slotte stelt deze wijziging een einddatum voor het monitoringsprogramma voor Mycoplasma synoviae, te weten 1 januari 2021. De reden daarvoor is dat de huidige monitoringsplicht een voortzetting is van de wens van de pluimveesector om op deze ziekte te monitoren. Het toenmalige productschap heeft deze regels geïntroduceerd om, waar nodig, bestrijdingsmaatregelen te kunnen treffen en zo het aantal ziektegevallen te verminderen. Er geldt geen Europese verplichting om op deze ziekte te monitoren. Mycoplasma synoviae is een zogenoemde bedrijfsgebonden dierziekte. Voor de preventie en bestrijding van bedrijfsgebonden ziekten zijn pluimveehouders in principe zelf verantwoordelijk. De einddatum van 1 januari 2021 geeft de pluimveesector de tijd om na deze datum door middel van private afspraken een vervolg te organiseren voor dit programma.

Hoewel er als gevolg van deze wijzigingsregeling minder frequent op Mycoplasma synoviae hoeft te worden gemonitord, blijven de administratieve lasten gelijk. De monstername liep namelijk gelijk op met die voor Mycoplasma gallisepticum en meleagridis, en die frequentie verandert niet.

Artikel I van deze regeling treedt in werking op 1 oktober 2019. Die datum sluit aan bij de vaste verandermomenten voor regelgeving, zoals opgenomen in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Daarnaast geldt als uitgangspunt dat er minimaal twee maanden zit tussen de publicatiedatum van een ministeriële regeling en het tijdstip van inwerkingtreding. Op dat uitgangspunt wordt een uitzondering gemaakt, omdat deze wijziging in het belang van de pluimveehouders is. Artikel II, waarmee het monitoringsprogramma voor Mycoplasma synoviae wordt ingetrokken, treedt in werking op 1 januari 2021.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


0  reacties